Naar inhoud
Inzichten · · 3 min lezen

Brandstichting volgens artikel 157 Sr: een overzicht.

Brandstichting is een ernstig misdrijf dat in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is geregeld. Dit artikel legt uit wanneer er sprake is van strafbare brandstichting, wat de strafmaxima zijn en hoe de verdediging eruitziet.

Brandstichting kan ontstaan uit baldadigheid, maar ook worden ingezet om sporen van een ernstig misdrijf te wissen. Zelfs het in brand steken van een relatief klein object, zoals een prullenbak, kan als brandstichting kwalificeren. In het meest ernstige geval kunnen dodelijke slachtoffers vallen. Brandstichting behoort dan ook tot de ernstige feiten binnen het Wetboek van Strafrecht.

Wat is brandstichting?

Artikel 157 Sr stelt strafbaar het opzettelijk brand stichten, een ontploffing teweegbrengen of een overstroming veroorzaken. Het enkele in brand steken van een zaak is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Noodzakelijk is dat gemeen gevaar voor goederen of personen kan ontstaan.

Strafmaxima

Artikel 157 Sr kent drie strafcategorieen afhankelijk van de ernst van het gevolg:

  • Gevaar voor goederen: maximaal 12 jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie.
  • Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander: maximaal 15 jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie.
  • De dood tot gevolg: levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 30 jaar.

Wat is gemeen gevaar?

Onder "gemeen gevaar voor goederen" wordt verstaan: een gevaar dat meerdere goederen in de nabijheid bedreigt. Er moet gevaar kunnen ontstaan voor andere (roerende of onroerende) zaken dan hetgeen in brand is gestoken, zoals spullen die in de buurt staan of de inboedel van een woning. Het uitsluitend in brand steken van eigen goederen valt niet onder artikel 157 Sr.

Voorbeelden van brandstichting

Het in brand steken van een auto of prullenbak op een verder leeg parkeerterrein levert geen brandstichting op: er is geen gevaar voor andere goederen. De officier van justitie kan in dat geval kiezen voor vervolging wegens andere feiten, zoals vernieling of openlijke geweldpleging. Indien de rook hinder voor het verkeer veroorzaakt, kan ook overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) aan de orde zijn.

Onderzoek en verdediging

Bij brandstichting verricht justitie doorgaans technisch onderzoek. De verdediging zal de zorgvuldigheid van dat onderzoek beoordelen en zonodig betwisten, bijvoorbeeld door een tegenonderzoek te laten uitvoeren.

Medeplegen en rolverdeling

Naast het gemeen gevaar moet ook worden vastgesteld of er sprake is van een strafbare rol. In het bekende arrest over de zogenoemde Wormerveerse brandstichting (HR 1934, NJ 1934) oordeelde de Hoge Raad dat er sprake is van medeplegen bij een nauwe en bewuste samenwerking. Het was in die zaak min of meer toevallig wie de brandende lucifer bij het stro hield.

Vrijspraak door gebrek aan bewijs

Indien iemand weet dat een brandstichting op handen is, bestaat er geen juridische plicht om in te grijpen. In een zaak waarbij FTW Advocaten optrad, kon de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte wetenschap had van of opzet had op de brandstichting, en sprak de rechtbank de verdachte om die reden vrij.

Bronnen

  • Art. 157 Sr, Wetboek van Strafrecht, wetten.overheid.nl (tekst geverifieerd via maxius.nl op 2026-06-07)
  • Art. 5 Wegenverkeerswet 1994, wetten.overheid.nl
  • Wormerveerse brandstichting (medeplegen), Hoge Raad 1934, NJ 1934
Contact

Vraag stellen naar aanleiding van dit artikel

Een eerste, oriënterend gesprek is kosteloos. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op.

Uw gegevens worden volledig vertrouwelijk behandeld. Wij gebruiken ze uitsluitend om contact met u op te nemen over uw vraag.

Contactformulier

Velden met zijn verplicht. Alleen telefoon is optioneel.